Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een vaste krijgsmuziek, een muziek van aanval, van aftocht, en een jubileerend-feestelijk keizersmotief. Een Chinees weet door de muziek al in de verte, wat er gebeurt, al kan hij het tooneel nog niet zien. Hij kan hooren, waar een leger optrekt, waar het strijdrumoer is, en waar in de verte de trommen den aftocht slaan. Hij weet, waar de muziek van liefde zingt, en de muziek van haat schettert. Mooi is het aanvallen van legers gedaan door de muziek. Dan slaan eerst even de gongen met zacht gebom, waarop de kleine trommels even roffelen, en langzaam sneller, sneller, als het aanstormen van veel soldaten, met wild paardengetrappel, en eindelijk, bij den strijd zelf, gaat het in razende vaart, zonder ophouden, met zulk een snelheid van bekkengeklang en tronimelgeratel, dat het op verren afstand werkelijk als het lawaai is van duizenden krijgers in een mêlee van stormgeluid. Dan somtijds een, twee doffe gongslagen, en het is even stil. Er is een leven neêrgedonderd door het Noodlot. En als de blaasinstrumenten dan huilend klagen is dat het smartgeluid der kleine menschen, dat schreiend opkomt na het donderstormen van het Fatum.

Het is hoofdzakelijk het angstig makende, het overspannende van de muziek, dat het tooneel zoo aantrekkelijk maakt. De Chinees is dol op lawaai van koper,

Sluiten