Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna bang. Het leven lijkt mij zoo koud en leeg als ik zóó wijs moest zijn."

„Het leven is koud en leeg," antwoordde de Wijze, zonder verachting, en op zeer kalmen toon. „En de menschen zijn bedriegelijk als het leven. Geen die zich zelf kent, geen die een' ander kent, en toch zijn zij allen gelijk. Het leven bestaat in 't geheel niet. Het is niet reëel."

Ik kon niets meer zeggen, en staarde in den avond.

De bergen sliepen zacht in den nacht, in vage nevelen. Er was een wonderteêre blauwe schijn om hen heen, en zij waren als kinderen zoo deemoedig neergelegen onder den grooten, grooten hemel. Onder ons flikkerden weifelend roode lichtjes. Een klagende fluit begeleidde een droef, monotoon gezang. De zee lag ontzaglijk diep in den nacht, en een eindeloosheid ruischte, ruischte ver en ver.

Toen welde een heel groote smart naar mijne oogen, en ik zeide met hartstochtelijken aandrang:

„Maar liefde dan? En vriendschap?"

Hij zag mij aan. Ik kon hem in het duister niet goed zien, maar een vreemd, teeder licht scheen uit zijne oogen. En hij antwoordde zacht:

„Deze zijn de allerbeste dingen in het leven. Zij gaan mede in de eerste bewegingen van Tao in u.

Sluiten