Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij zoudt wreed zijn, jonge man, als gij tegen een ander spraakt. Ik heb liefgehad vóór gij ademde op deze wereld. Toen leefde er eene maagd, zoo wonder om te zien, alsof zij de Vorm was zóó uit I ao geboren. Ik dacht dat zij de wereld was, en de wereld was dood om haar heen. Ik zag niets dan hAar, en er waren geen boomen, geen menschen, geen wolken. Zij was schooner dan deze avond, zachter dan die lijnen, die daar droomen om de bergen, teerder dan die fijne, wachtende kruinen der boo men, en haar licht was zaliger om te voelen dan het licht van gindsche ster. Ik zal u niet zeggen, wat er gebeurd is. Het was feller dan een hel, maar onreëel, en het is nu voorbij als een storm. Ik dacht dat ik sterven zou, ik wilde vluchten voor mijn smart in den dood. Maar een dageraad is gekomen over mijn ziel, en alles werd licht en vertrouwd. Er was niets verloren. Alles was nog als vroeger. De schoonheid, die ik niet voor mij dacht, leefde nog even smetteloos in mij. Want niet van die vrouw, van mijne ziel was die schoonheid geweest. En ik zag die overal glanzen op de wereld, in onsterfelijken gloed. De natuur was niets anders dan wat ik die vage verschijning van eene vrouw had gedacht. En mijne ziel was één met de natuur en zweefde op denzelfden rythmus den eindeloozen Tao tegemoet."

Sluiten