Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zeide, door zijn kalmte kalm: „Zij, die ik liefhad, is gestorven, Vader, en zij is nooit mijne vrouw geweest, die mijn ziel heeft geknakt als een kind een bloem. Maar ik heb nu eene vrouw, een wonder van sterke goedheid, een vrouw mij vertrouwd als het licht en de lucht. Ik heb haar niet lief, zooals ik nu nog mijn arme doode liefheb. Maar ik weet dat zij reiner mensch is dan die andere. Hoe komt het dan, dat ik haar niet liefheb? Zij heeft mijn droeve, wilde leven tot een zachten rustigen gang gemaakt naar den dood. Zij is simpel en waar als de natuur, en haar gezicht is mij lief als het zonlicht."

„Gij hebt haar wèl lief," sprak de Wijze, „maar gij weet niet wat liefde en liefhebben is. Ik zal het u zeggen. Liefde is niets anders dan het Rythme van Tao. Ik heb u gezegd, uit Tao zijt gij gekomen, tot Tao zult gij wederkeeren. Als gij jong zijt en het om uwe ziel nog duister is, en gij voelt den schok van de eerste beweging, dan weet gij niet waar hij heen gaat. Gij ziet de Vrouw voor u. Gij denkt dat het de Vrouw is, waarheen het Rythme u drijft. Maar als gij die Vrouw hebt genomen, en uw lichaam tegen het hare heeft gebeefd, voelt gij toch het Rythme onverbiddelijk in u, en gij weet, dat gij verder moet, altijd verder en verder, om het stil te doen zijn. Dan komt er een groote droefheid in de zielen der twee

10

Sluiten