Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij. Er viel een vrucht uit den boom achter ons. Toen ik opkeek zag ik in schitterend maanlicht. De Vii ijze stond naast mij, en neeg zich liefderijk tot mij over.

„Gij hebt u veel te veel vermoeid, mijn jongen," zeide hij bezorgd. „Het is veel te véél voor u in zoo korten tijd. Gij zijt van afmatting in slaap gevallen. Ook de zee slaapt, zie, geen rimpeltje breekt haar egale rust, en roerloos ontvangt zij de wijding van het licht in haar droom. Maar gij moet wakker worden, het is laat, uw bootje ligt klaar, en uw vrouw wacht u thuis in de stad."

Ik antwoordde nog half droomend: „Laat ik toch hier blijven, Iaat ik terugkomen met mijne vrouw, en hier altijd blijven.Ik kan nu niet meer terug naar de menschen. O, Vader, ik beef, ik zie hun schamplachend gezicht, hunne schennende oogen, hun ongeloof, hun ontwijding. Hoe kan ik dit wonderteere, gevoelige van mijn ziel nog dragen door het duistere \olk.-" Hoe zal ik het ooit goed kunnen verbergen onder lach of woord, dat zij het niet zien en bevlekken met hun smadelijken hoon?"

Toen zeide hij ernstig, eene hand leggend op mijnen schouder: „Luister heel goed, mijn jongen, naar wat ik u nu zeg, en vóór alles geloof in mij. Ik zal u pijn doen, maar ik kan niet anders. Gij moet stel-

Sluiten