Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zacht-rustige maanlicht blonk in mystieken glans het wondere porcelein van het Kwan-Yin beeldje, hetzelfde, dat de oude man zoo voorzichtig had bewaard, en dat hij zoo liefhad.

In statige rust van strenge, maar teedere lijnen zat de reine Kwan-\ in, in fijn porcelein, transparant als van aethcr gemaakt, in de glanzende bladen van den lichten lotus. — Het blonk in den puren maneschijn als van zuiver zielelicht. —

Ik durfde het niet gelooven, dat dit heilig ding mij was gegeven. Ik wuifde mijn zakdoek, en mijn hand maakte gebaren om den Wijze te danken. Hij stond roerloos aan het strand, en staarde voor zich uit. Ik wachtte verlangend naar één wenk, één teeken, om mij nog even lief te doen in een' groet. Maar hij bleef onbewegelijk. —

Staarde hij naar mij? Staarde hij naar de zee?

Ik schoof het kistje dicht, en hield het zachtjes vast naast mij. alsof het een liefde van hem was, die ik meenam. Ik wist nu, dat hij mij liefhad, maar zijne roerlooze kalmte was te groot voor mij, ik voelde mij droef, dat hij niet weder gewenkt had.

Ik dreef verder en verder. Al vager werd zijne gestalte. Eindelijk zag ik hem niet meer.

Hij bleef achter, eenzaam in de natuur, met de mijmeringen van zijn ziel, alleen in de oneindigheid,

Sluiten