Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op en vandaag, dè dag, heeft hij aldoor in zich 'n nerveuze beklemdheid gevoeld.

Tegen vijf uur staat hij voor de deur zijner woning. Onwillekeurig slaat hij z'n oogen op naar de ramen van een-hoog, de étage, die ail ruim 'n week onbewoond is en welker kale, naakte ramen koud-grimmig afsteken bij de knusserig aangekleede van twee- en driehoog. „Dus nog geen huurders", zegt Maurits hardop, terwijl hij den huissleutel in 't slot steekt. Hij vindt het vervelend-ongezellig, die stille, spokig-holle kamers beneden zich, waarvan je vooral 's nachts de leegte voelt„ als je wakker ligt in bed. Wel heeft hem 't geschreeuw van 't kleine kind dikwijls gehinderd onder 't werk, of als hij zat te lezen ; maar de macabere stilte van nu, na er maanden achtereen leven gewend te zijn geweest, hindert hem toch ook ; en laat thuiskomend 's avonds, in z'n opgang naar boven, is hij soms huiverig om over 't stikdonkere portaal te gaan, langs de deuren der geluidlooze kamers.

Maurits doet z'n balcondeuren wijd open, schuift 'n luien stoel bij en laat er zich met 'n zucht in neerkwakken. Maar hij zit nauwlijks, of er wordt tegen de deur geklopt.

— Ja ! roept hij gemelijk.

De pensionhoudster neust om 't hoekje van de deur. „O, neemt u me niet kwalek, meneer, ja dat komt, ik meende u wel te hoore, goeiemiddag meneer."

— Juffrouw, zou 'k wat vroeger kunne ete ?

Sluiten