Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'n ingekankerden hekel aan al wat vijandig staat tegenover de groote arbeidersbeweging, dit laatste tot blijvende ergernis zijner moeder, die zulke malligheid van haar bedaarden, verstandigen man zaliger niet gewend is en er dan ook geen snars van begrijpt, hoe Bart, kind van zoo n voorbeeldigen vader, zoo „riffelusjeneer kan zijn. Het zal d'r ook wat op ankomme, of je door de kat of door den kater wordt gebeten ! Maar tante Bet is in dit opzicht 'n weinig milder gestemd; zij vindt het alleen maar jammer, dat Bart zoo heelemaal niks aan godsdienst doet. Heeft de Heer, na al het doorgestane leed, haar ten slotte toch niet in veilige haven gebracht ? Overigens houdt ze heel veel van den jongen, al zou 't enkel maar zijn, omdat hij nooit 'n druppel drinkt.

— Ik rammel, gaan we haast ete ?" vraagt Bart aan z'n moeder, doende in 't keukentje achter de alkoof.

Ze komt al met 'n paar dekschaaltjes aangedragen, doch heeft 't ongeluk bijna te struikelen over Piet, den kater, die zoetjes mauwende met haar is meegetrippeld. ,,Alla, scheer je weg, beroerde kat, as-i dat arreme dier niet lastig valt, dan loopt-i mij voor de voete, die smerige kerel! moppert juffrouw Stam, Piet 'n schop gevend.

— Och trap dat beest nou niet, moeder, wat het dat nou noodig", zegt Bart nijdig.

Piet is de eenig overgeblevene van 'n zestiental jongen, die de kleine grijze poes in den loop van 'n paar jaar ter

Sluiten