Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te naderen, boezemt haar weinig vertrouwen in, zoodat ze angstig de mand ontvlucht als ze hem ziet aankomen. Juffrouw Stam heeft meelij met 't zwakke dier en schopt Piet de kamer uit. — ,,Alla, smeerlap, vort jij, marsch, ga maar na zolder !" Bart moet haar ditmaal wel gelijk geven, 't kan te erg worden ; maar hij gedoogt toch niet, dat Pik zoo maar den hort wordt opgestuurd.

— Ik zal 'm op dieet stelle in m'n kamer, hij mag 'r vooreerst niet vandaan", zegt hij, den kater optillend ; en als deze wulpsch tegenspartelt, kijkend met begeerigsmachtende oogen naar z'n geliefde om, voegt hij er aan toe : „stil, rakker, jij mot maar 's wat maagdewater uit 't besjeshuis drinke, smeerkees."

— Zeg, Bart, laat nou 's zoo'n man komme, je weet wel", verzoekt weduwe Stam op allervriendelijkst en toon.

— O nee, dat nooit, dan mot poes maar weg, Pik blijft gaaf, daar sta ik 'm borg voor.

— Nou maar hoor 's", vaart Kee nu hard-vinnig uit, „ik verkies dan dat gezanik niet langer in me huis te hebbe, 't is tellekes weer, jij heb makkelek prate, jij heb 'r de last niet van, die malle kunste van jou met die bekaaide kat beginne me ordentelek te vervele, je mot nou maar wete wat 'r van komt."

De sigarenmaker, staande met Piet onder z'n arm bij de deur, kijkt z'n moeder lakoniek-lachend aan, schudt z'n hoofd en antwoordt, even z'n schouders opschokkend :

Sluiten