is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij staat al op de stoep. Ze oogt hem na in de donkere straat, telkens als hij omkijkt wuivend met haar hand. Langzaam sterft 't geluid van z'n voetstappen in de nachtstilte weg.

Met veerkrachtigen pas loopt hij de P. C. Hooftstraat uit naar de Stadhouderskade. Het is 'n sublieme Meiavond. De louterend-frissche lucht en 't twinkelend goud der sterren aan den diep-violetten hemel doen aan als 'n blijmoedige belofte van schoonen zomer. Maurits voelt zich nu zoo jong-sterk over de straat gaan, zoo luchtig van-zelf, alsof al z'n gedruktheid op eenmaal van hem wèg is genomen en hij den geheelen nacht, ja, wel dagen achtereen, zou kunnen dóórloopen, zonder zweem van gedachte aan z'n last. Doch passeerend de Hobbemastraat, wordt hij door iets afgeleid. Rechts van zich, in den eenzaam-donkeren uithoek', hoort hij onverwacht 'n grommende mannenstem. Het is 'n dronkaard, die daar in z'n eigen staat te wawelen, met log naar z'n borst afhangenden kop, waarop de hoed schuin achterover bolt, terwijl z'n beenen slenserig knieëknikken onder z'n plat, verfomfaaid lijf. En opeens haalt de man zwaar-galmend uit, met kleffe, lodderige slierstem en woest-dreigend gebaar tegen de lucht. — ,,'t Is janklaasse, god... .ver... .domme, wa sei-je, janklaasse, god.... za-je.... god.... verdomme, wa sei je ? hou je se-moel, 't is janklaaaasse.

4