Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maurits blijft even naar hem staan te kijken. Hij vindt 't komiek, die gaten in de lucht beukende kerel, met z'n lijzige, gebroken zatlappenstem, waarin toch nog 'n aasje bewustheid van wil om te overtuigen, dat 't janklaasse is. Langzaam sloddert de vent nu weg, de donkere straat uit, verdwijnt dan den hoek om, sleepend met zich 't weetriestig gegalm van z'n zang. Maurits vervolgt z'n weg, de brug over naar de Weteringschans. Verderop, in 't plantsoen, klampt 'n vrouw hem aan. Maar hij neemt 'r geen notitie van, versnelt z'n pas, bang dat ze. hem zal naloopen. Op 'n bank ziet hij 'n jongen en 'n meid in omstrengeling zitten ; ze zeggen niets, verroeren geen vin, hun monden kleven aan elkaar. Even vóór Maurits de volgende brug heeft bereikt, wordt hij gegroet door Bart Stam, die van de richting Vijzelgracht komt.

— Bonsoir, meneer, gaat u ook naar huis ?" vraagt de sigarenmaker.

— Ja, meneer, ik ga naar huis.

— Dan zulle we zoover samengaan, als u 'r niks tege hebt.

— Wel zeker niet," antwoordt Maurits, wien die eer voor de eerste maal te beurt valt.

Hij heeft zich nooit veel met z'n bovenburen ingelaten. Op de trap ontmoette hij Bart wel eens en dan was 't even 'n groet, soms 'n praatje, doch meer niet. Van Bart kreeg hij proefondervindelijk den indruk, dat 't 'n brutale, zich aan God noch gebod storende lawaaischopper is; en van

Sluiten