Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeven naar de fabriek gaat. Maurits roept hun gesprek van gisterenavond weer in z'n herinnering terug, 't druk, ophakkerig geklets van dien vent. Wat ruw en ongemanierd dringt zoo'n vlegel z'n wauwelpraat aan je op en wat 'n oppervlakkig gehannes over dingen, waar-i geen steek van af weet. 't Is 'n echte ongelikte opruier, of liever 'n opgeruide, net wat meneer Staader gisteren zei en 'n vervelend type ook, al kon-i wel 's uiïg doorslaan, wat zeid-i ook weer, waar hij zoo om lachen moest.... och, o ja, dat-i nooit in Kras kwam ; toch onbeschoft geantwoord eigenlek, maar dat volk heeft geen greintje educatie genoten, aan alles kan je dat direct merken, plebs, enfin, hij heeft overigens nogal niet veel last van 'm, da's één geluk.

Het wakkerliggen in bed begint Maurits te irriteeren. Graag zou hij nog 'n uurtje willen maffen ; misschien lukt 't hem nog wel, als hij nergens meer aan denkt en de gordijn 'n eindje laat zakken. Werkelijk doet hij dat en dan legt hij zich weer neer met z'n gezicht van 't raam af, probeerend aan iets heel onverschilligs te denken, want gansch-en-al zonder gedachten zoo stilliggen kan hij niet. Maar 't baat hem niets ; z'n innerlijke onrust is overheenschend. Telkens weer besluipt de gedachte aan de spreekkamer van dokter Mast z'n brein, onverduwbaar beeld, dat hem juist 't helderst verschijnt, als hij z'n oogen sluit. Na 'n half uur staat hij op. Een flauw gevoel van hoofdpijn

Sluiten