Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doet hem pijnlijk oogtrekken bij 't ophalen der gordijn, als 't felle daglicht z'n kamertje binnenbruist. Hij plast z'n gelaat diep in de waschkom, met z'n hand dan nek en achterhoofd besproeiend ; en die plotselinge kou doet hem hijgen naar adem, maar na zich hard te hebben afgedroogd, voelt hij 't dompig gebroei in z'n hoofd niet meer, weggespoeld door 't frissche water als 't is.

Om half acht in de zitkamer komend, ziet hij daar de juffrouw bezig met 't klaarzetten van z'n ontbijt. De balcondeuren staan open.

— Goeiemorge, juffrouw", begroet hij haar, met iets gedrukts in z'n stem en dof-fronsenden blik tegen 't helle buitenlicht.

— Goeiemorge, meneer, bent u daar al ?

— Juffrouw, 'k moet om half tien even naar de dokter, ik kom straks weer thuis, wil u de slaapkamer wat vroeg opruime ?

Verwonderd kijkt ze hem aan. — „Ben u niet goed ?"

— Nee, 'k ben niet heelemaal in orde.

— U ziet 'r 'n beetje betrokke uit, gistere ook al, vond 'k, 'k zei nog tege me man, meneer ziet 'r niet zoo goed uit as anders; 'k zal d'r voor zorrege, meneer.

Hij gaat voor den spiegel staan, bekijkt z'n gezicht. Ja, ze heeft gelijk, hij ziet 'n beetje bleeker dan gewoonlijk en z'n oogen staan onfrisch, daar heeft 't watergeplons toch niets aan kunnen veranderen! Hij doet de balcon-

Sluiten