Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misschien. Lummelig liggend in z'n stoel, met dat moebetrokken gezicht en die slap afhangende armen, lijkt hij wel 'n wezenlijke zieke. Maar hij voelt zich ook ziekerig, troosteloos loom, met 'n matheid in z n hersens, alsof hij lang achtereen stram heeft gewerkt. Kwam die dokter nu maar naar hém toe en gaf-i 'm dan maar n slaapmiddeltje te slikken, zoodat hij van niks meer wist en bij z'n ontwaken alles gedaé.n vond ; maar o, dat zelf te moeten gaan, straks ; dat ellendige blijven in de werkelijkheid en die lijdelijke, zelfbewuste overgave van je bloote lichaam ! Hij stelt zich nu scherp-duidelijk voor, hoe hij straks zal liggen, fantaseert zich, in z'n onbekendheid met den aard der operatie, de wijze, waarop de dokter met 't vlijmend mes 't vel zal openspalken, voelt de pijn dan optrekken door z'n gansche lijf, zóó reëel, dat onwillekeurig 'n smartgrijns z'n gezicht verwringt en 'n bonzende hartklop 't bloed opjaagt naar z'n hoofd. Met één sprong is hij overeind ; 'n moment te voren zou hij de fut daartoe niet hebben gehad. Hij loopt wat heen en weer, gaat dan aan tafel zitten, om zich 'n flentertje brood te snijden, hetwelk hij dik met boter besmeert en met 'n paar slokken thee naar binnen spoelt. Hij kan niet eten. Maar onder 't kieskauwen, terwijl z'n oogen werktuiglijk de steeds nog vliegende duiven volgen, valt hem de idee in, om nu maar dadelijk aan Nancy te gaan schrijven en er niet mee te wachten tot vanavond, zooals hij eerst van plan was.

Sluiten