is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na het stellen van dit briefje weet hij niets meer te doen in z'n kamer en toch is 't nog te vroeg om nu al weg te gaan. In verveling staat hij 'n poos op 't balcon te kijken naar straatwerkers, die met ijzeren koevoeten steenen uit den grond loswrikken ; dan boemelt hij weer wat rond door z'n kamer, leest 't briefje nog 's over, sluit 't in 'n enveloppe en schrijft 't adres. Hemel, zat hij maar rustig op z'n bureau aan z'n dagelij ksch werk ; wat 'n belabberde morgen en wat dreint die tijd voorbij, als je wacht! Z'n snuffelende blik ontdekt op zij van den schoorsteen de eerste aflevering van 'n colportageroman, die de juffrouw daar gisteren heeft neergelegd, met de boodschap — herinnert hij zich nu ook — dat ze vandaag zou worden teruggehaald. Hij leest den titel : „Irmgard de Bedelares, of de levensloop van een Gravendochter." De eerste pagina wordt in beslag genomen door 'n proeve van illustratie, waaronder de zich aan bladzijde vier en twintig refereerende tekst : „Almachtige God! Erbarmen! ter wille van mijn kind ! Wilt Gij mij inderdaad van uw drempel stooten ! Moet ik in dezen Kerstnacht, bij sneeuw en koude, van deur tot deur gaan, om een onderkomen te bedelen, ik, uw kind, de gravin Hohenstein ? — Vader !"

Maurits weet waarachtig niet wat hij komieker vindt, 't plaatje of 't onderschrift, hij moet 'r even om lachen; die aflevering van twee vel komt hem voor, 'n gezegend divertissement te zijn, want als hij 't eerste hoofdstuk uit