is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, zal 't net zoowat tijd zijn om weg te gaan. Smakelijk begint hij er in te lezen, twee, drie pagina's. Doch de bekoring duurt niet lang, 't verveelt hem algauw; 't stilzitten, met au fond die onrust in hem, krijgt iets gedwongens, kunstmatigs, z'n hersens volgen toch weer hun eigen motief en vóór hij 't zich klaar bewust is, droomstaren z'n oogen naar 't bewegen op straat en leeft hij weer heelemaal in de spreekkamer van dokter Mast. Maar dan, in 'n opstuwing van wil, smijt hij de gravendochter in 'n hoek, staat op, steekt den brief aan Nancy in z'n zak en gaat de kamer uit. Loopen wil hij, lucht happen, menschen zien ; de enge kamer biedt geen tegenwicht voor z'n piekerig denken, wèl de straat, wèl de beweging.

Het is zacht in de lucht, sneukig schijnt 't zonnetje, de menschen stappen met blije gezichten in 't vroolijke licht en de straten, in opklatering van lente-gekleur, lijken te wemelen van leven. Maurits ziet dat jong-dartele wel, 't pakt hem wel aan, even, maar toch is zijn gang niet zoo opgewekt, niet zoo fleurig als gisteravond, toen hij van de Staaders vandaan kwam en zich zoo luchtig-sterk voelde onder 't loopen. Hij kuiert slenterig eerst 'n paar straten om, op z'n dooie gemak, in 't veilig gevoel, dat hij vooreerst den tijd nog aan zich heeft. Dan de brug overgaand bij 't Weteringplantsoen, slaat hij linksaf 't plantsoen in. Hier is 't stil, ruischen de hooge, zon-doorsprankelde boomen in aanminlijke stemming van vroeglente, teer-