is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groen van kroon, jong-gracieus in de deinende zwieping hunner slanke lijven, die forsch geplant staan in 't weeliggroene, lichttintelend-groene gras. Maurits zet zich neer op 'n bank ; het lijkt hem hier zoo lekker-rustig, zoo zenuwen-kalmeerend en de wind zoemt zoo liefkoozig om z'n ooren, met 'n fluistergeluid van echte lente, terwijl de vogels in de boomen hun zonliefde-liedjes snepperen, in luide, warrelende koren, hevig tegen elkander op, zoodat 't klinkt als 'n roes van uitgeschetterde vreugde, onophoudelijk. En als 'n wolk even de zon komt bedekken, lijkt het licht wel met onzichtbre hand plotseling van de boomen te worden weggeschoven ; maar dan is 't weer één opvlamming van groen, die als 'n lach schiet over de natuur, net als bij heel-jonge kinderen die opééns weer vroolijk zijn na lipjespruilerij. Maurits blijft daar 'n lange poos zitten, bedaar dj es kijkend naar 't gedoe van de vogels in de boomen en op den grond. Maar toch angelt diep binnenin hem 'n donker gevoel van nerveusheid, bij vlagen zóó fel, dat 't hem aandoet, alsof 'n hand in z'n ingewanden wroet. En dat wordt sterker, naarmate hij langer achtereen zich uiterlijk rustig houdt. Het aldoor zich-bewust-zijn van den voortgang des tijds, is hem 'n beletsel voor innerlijke rust. Hij hoort 't museum-carillon kwart over negen klingelen, zet z'n horloge precies er mee gelijk; nog wil hij niet opstaan. Maar de dan volgende minuten laat de knagendneuralgische pijn hem niet vrij. Hij tracht zich te be-

5