Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— We zulle maar na zolder gaan," oppert de jongelingmet-den-zak, „want uit z'n eige zal-i niet terugkomme."

Wacht, gaat u dan maar vóór," bedisselt Kee

Stam, die 'n beetje katerschuw is, „u weet 't beste hoe je met zoo'n beest an mot ; Bet, late wij nou zoolang hier blijve, komt-i dan na beneje, dan houe wij 'm wel tege."

Dit plan van strategie vindt bijval. De zakken jongeling begeeft zich onbeschroomd naar zolder, waar hij den kater in 't loopje tusschen twee lat-schuttingen angstig ineen gedoken ziet zitten. Z'n groote, fonkelend-zwarte pupillen, omboord door 'n rand van vurig geel, loeren den vijand woest-dreigend aan. Deze neemt nu 'n krijgslist te baat. Verbergend den zak achter z'n rug, komt hij met uitgestrekten arm, alsof hij wat lekkers presenteert, al-smoezelend lieve woordjes, in bukkende houding naar z n slachtoffer toe. Maar het dier laat zich niet verneuriën, 't neemt opnieuw z'n sprong en vliegt z'n gesimuleerden weldoener in wilde vaart voorbij. De gefopte bedrieger keert zich dan ijlings om, loopt Piet na, werpend meteen den zak als 'n net over hem uit. En de kater, even voelend op z'n rug de aanraking er van, vlucht, dol van angst, weer

terug naar de trap.

— Houdt u 'm, daar komt-i!" waarschuwt de lubbers-

élève.

Doch de kater, ziende de beide wachteressen onderaan

Sluiten