Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Poes mot nou maar weg, vin je niet, Kee ?" vraagt tante Bet, die 't ijzer wenscht te smeden nu 't nog heet is.

— Voor mijn part," antwoordt Kee tam. Ze voelt zich nog maar half mensch en is weer gaan zitten.

— Dat is de beste oplossing," richt de sigarenmaker, „de moer van m'n bosjesmaker wil graag 'n kat hebbe, dat weet 'k en dat zijn heele goeie mensche, 'k zal morge de jonge in de schafttijd hier na toe sture. Maar waar is Pik nou?"

— Die mót op zolder zitte," antwoordt z'n tante.

— Dan ga ik 'r nog's op uit ; 'k heet geen Bart as 'k 'm niet vind ; tante, zet u voor moeder 'n sterk bakkie koffie, dan knapt ze weer op.

Hij doet de deur open en wil juist 't portaal oversteken, als hij op de trap-naar-beneden het blauwe boezeroen in zittende pose ontwaart.

— Jezus Christus vent, ben je daar nou nog al ?

— Ik mot me cente hebbe, eerder ga 'k hier niet vandaan.

Bart haalt z'n portemonnaie uit z'n broekzak. — „Daar,

hanneskop, pak an, twaalf en 'n halve spie voor de trem, koop d'r 'n schijtpoeier voor."

Op zolder hoeft Bart niet lang naar z'n lieveling te zoeken. Enkel het hooren van zijn roepende stem is voor 't dier voldoende om z'n schuilplaats te durven verlaten. Bart ziet hem, toevallig vlak voor z'n oogen, van uit de nauwe spleet achter den voorover hellenden schoorsteen te voorschijn komen, met groezelig-vuil front je en

Sluiten