is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding tè wreed, ze had hem zoolang in 't kamertje van Bart afgezonderd. Maar 't dreinen van Piet daarna, ging haar toch ook aan 't hart. Ze konden hem niet in de huiskamer houden. Dolen ging hij, dolen op de trappen, dolen in de portalen, dolen op zolder, altijd weer heen en terug. En langzamerhand kwam 'n smarttrek over z'n snoet, begonnen z'n oogen te doffen, werd ook z'n gang slepender, lusteloozer, scheen 't hem duidelijk te worden, wat er in huis was gebeurd. Maar nog geen klacht heeft hij geuit.

Tegen den avond echter, na 'n ganschen middag van stomme zelfpijniging in vergeefsch geheim wee naar de poes, breekt z'n jammerlijk geweeklaag uit. Dan is zelfs 't aanhalen van Bart hem geen troost. Aldoor, aldoor weerklinkt z'n melancholisch geschrei door de gang, vet-geil gegalm, zwaar van geluid, dieptonig van uithaal. Hij last geen eten, schuwt de kamer, nog 't liefst alleen zijnd in de donkere zolderhal, waar z'n klaaggalmen iets zóó huiveringwekkend smartelijks doortrilt, dat 't is, alsof er 'n menschelijk wezen in doodsweeën ligt.

Juffrouw Stam kan 't niet meer aanhooren, 't maakt haar zenuwachtig, ze kan 'r niet eens rustig haar krantje door lezen.

— Dat beest is van de duvel bezete," zegt ze verdrietig, ,,nou dach je eindelek rust te hebbe en nou levert-i je dat weer!"

— Och, moeder," psycholoogt haar zoon, „de mensch-