Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ben je nou nog niet uitgegriend, vervelende linkmiechel, kom maar, Pieteke, kom maar bij de baas, dan mag je op z'n schoot zitte.

De kater, over z'n ergste leed heen, niet meer zóó eenzelvig teruggetrokken, staakt z'n gejammer en laat zich gewillig optillen. Bart hoort hem voor 't eerst weer snorren. Het groote, forsche dier is in die paar dagen zichtbaar afgevallen ; z'n goedige oogen staan flets, als van 'n ziek mensch en zelfs aan z'n anders zoo sneeuwwit front je heeft hij hoegenaamd geen zorg besteed ; 't ziet er smoezelig uit.

— Hij heeft menscheverstand en menschegevoel", zegt Bart, 't beest mee naar binnen dragend.

In de kamer brandt nog geen lamp. Weduwe Stam is achter bezig aan 't vaatwerk, alkoofdeuren en keukendeur staan open. Juffrouw Schoof zit naast 't raam te knikkebollen van den slaap. De lauwe lucht van gestampten pot hangt nog in 't vertrek. Piet hupt in 't mandje van de poes, vlijt zich dan neer op de plek, waar zij met haar donzig-grijze lijfje placht te liggen.

— Kom, tante, niet maffe", lawaait Bart, die vanavond 'n lollige bui heeft, „mot u de krant niet leze ? wacht, 'k zal 'm eerst zelf 's inkijke, dat is me in lang niet gebeurd."

Hij plaatst zich tegenover haar aan 't raam, om nog te kunnen profiteeren van 't mat-blinkende hemellicht. En

Sluiten