Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder 't openvouwen van de krant begint hij, met schelle, gemaakt vibreerende stem, 'n parodie op 'n oud deuntje te zingen : „ik bèn 'n wees op aar-de, 'k heb óok geen tante meer, ze heeft me ras verla-te, o Gód, zie op mij neer ; maar boven i....i....i....i....n den he-mel, daar zie 'k m'n tante weer, maar boven i.... i.... i.... i.... n den he-mel, daar zie 'k m'n tante weer."

— Daar zou je dol op weze," beweert z'n moeder van uit 't keukentje.

Bet zit zachtjes te giechelen.

— Moeder, ik ga je lijforgaan leze, de dagelijksche snertpot, directeur Henri Staader, die al die gezalfde-preekeworstjes stopt en de heele arbeidersbeweging wel in de grond zou wille bore, godgloeiendverd

— Jonge zwijg stil, je goeie vader draait zich in z'n graf om, met je schandalig gevloek !" verbiedt juffrouw Stam gestreng.

— O nee, moeder, vast niet, vader heeft bij z'n leven ook nooit 'n draai genome ; tot 't allerlaatste toe is-i stokstijf-conservatief gebleve, nee, die tobberd blijft wel ligge, hoor, sekuur.

— Maar waar floek je nou eindelek voor, jonge," vraagt tante Bet zachtzinnig, „je gelooft an geen God en je doet niks as God anhale; je kwest 'n ander maar in z'n overtuiging, dat mag je niet vergete."

— Och tante, u moest 's wete hoe kwetsend dat verve-

Sluiten