is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Telkens nerveus-krampachtig z'n linkerhand samentrekkend en met z'n andere in den steekzak van z'n pantalon, haast Staader zich terug naar de tram. Er gist 'n opstand in z'n binnenste. Hij loopt straf-gejaagd, z'n blik wordt vastgehouden door 't keienvlak van de straat en z'n gedachten, verre van de firma Hoffmann en Co., woelen driftig door z'n brein. Op het balcon van de tram staat hij met z'n rug naar de medepassagiers gekeerd; de vlakken der huizengevels schuiven warrelend aan z'n starrigen blik voorbij ; de conducteur moet hem vragen om z'n kaartje. Bij wijlen, als 'n scherpe denking in hem opflitst, klemt hij z'n tanden op elkaar, even schuddend daarbij z'n hoofd. Er tergt 'n fel-prikkelende lust in hem, Ekelvoort 'n ongenadigen uitbrander te geven en hem kort en bondig te vragen, wat die wijze van handelen te beteekenen heeft. ,,Ik laat me niet verneuke, ik laat me niet verneuke", drenst het door z'n hersens. En hoe meer hij zich verbeeldt, hem tegenover zich te zien, hoe erger hij zich van opkroppende woede staat te verbijten. Schijnbaar in vreedzame beschouwing van 't vroolijke leven op straat, is hij bezig z'n gemoed tot berstens toe vol te proppen met zuren nijd en zichzelf op te hitsen tot 't nemen van wraak. Zoo'n aap, zoo'n vlegelachtige kwajongen, wie denkt-i vóór te hebben ? Is hij daarvoor zoo goed geweest z'n toestemming te geven, om zich door dien vlegel te laten verneuken ? Maar hij zal 't 'm inpeperen!