is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

éénmaal heel even schuddend z'n hoofd. Hij gr oeit er in, het geval provoceert hem, aan het kratertje van z'n moralist enhart ontvloeit welhaast de soepele lava zijner verontwaardiging, nog slechts merkbaar aan 'n fronsing der wenkbrauwen, gepaard met 'n zwelling der neusvleugels. Van z'n lippen komt geen kik. En ook als Johan z'n relaas heeft beëindigd, zegt hij nog niets, blijft hij hem in zwaarhoofdig gepeins onheilspellend aanzien, gelijk 'n rechter, die, door de slechtheid diep bewogen, zich ex officio tot kalmte dwingt. Maar Johan verlangt juist vurig naar 'n oordeel; het zwijgen van z'n broer obsedeert hem.

— Wat moet je daar nu toch van dènke ?" vraagt hij op den man af.

Nog klinkt geen antwoord ; Henri's diep-ernstige blik blijft naar hem gericht, als '11 point d'orgue van veelzeggendheid.

— Dat-i voor ons iets verbergt staat vast," herneemt Johan, huiverig z'n ellendig vermoeden te uiten.

— 't Is zéér suspect, ,zéér suspect," zegt Henri nu, „en juist door de naam van die dokter krijg 'k heele leeleke suspicies; misschien heb jij daar nog niet eens aan gedacht."

— Dokter Mast ?

— Ja-

— Ik ken de man niet.

— Ik wel, dat wil zegge van naam ; als 'k me tenminste