Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de huilende violen, kietelt het wee-wellustig gitaar-getokkel, en met dikke walmen komt etenslucht mij tegemoet. Glimmende, bruine koelies jagen mij huppelend voorbij, hun ruggen druipend van zweet, voor de ratelende ricksha's rennen ze als uitgelaten dieren, dampend en rookend in de lucht. — O! al die bruine en gele en zwarte gezichten, die vreemde, oostersche levens, die donkere oogen als van beesten, nü benauwt het me toch inééns, ik hóór hier niet, ik, bleeke man uit het Westen, en ik voel mij hier nu jammerlijk verdwaald. Het is of een wilde koorts die wriemelende menschen zoo jaagt, ze schreeuwen zoo hoog en zoo hel, als in angst of woedenden strijd, ze rieken zoo kwalijk, ze glimmen zoo vet en nat! En haastig loop ik langs winkels en huizen, met overal eten, en eten, en nogeens eten, roode koppen van varkens en stinkende inktvisschen en bloederige darmen, bloedkleurige vruchten en lillende stukken vleesch en roode lombok-pepers en allerlei vraatsel van gulzige oosterlingen. Ik weet den weg niet meer. — Ik zie het alles nu verward, het rood, het goud, het blauw,

Sluiten