Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nekkigste « kóng kè » ') dat ik ooit heb gedaan. Wat zou ze anders wel van me denken? En daar sta ik, in den laten avond, in de stille Singapoorsche straat, voor een kleine warong, pingelend met een gewikst chineesch oudwijfje, als ging het op leven en dood. Eindelijk krijg ik mijn tak met stekelige, fel-roode naï-tsi's voor een paar koperen centen, en smullend loop ik door, de witte vrucht zuigend uit de opengeknepen bolster, die als bloed afgeeft aan mijn hand. — Heerlijk, het zoete, koele vocht op je heete, droge tong.

Nu kom ik langs een werkplaats, waar koelies schoenzolen zitten te kloppen. Zij kloppen als razenden, naakt, met hun van zweet glanzende lijven, gehurkt op een tafel. Er is in het woedende werken van die chineesche koelies iets als 't wilde zwoegen in een hel, jakkerend, jagend in een woest delirium van koorts. Wat vreemd toch, die kaneel-bruine kerels, of ben ik vreemd, bleeke westerling, die hier rondloopt vér van zijn land?

De huizen, die ik nü langs loop, staan

I) „Pingelen".

Sluiten