Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de sawahs langs den weg, en zeggen iets heel innigs en liefelijks.

«Tabeh! tabeh! ») roept mijn enthoesiaste reisgenoot tegen ieder die voorbijkomt, en vriendelijk groeten die menschen terug, passeeren ietwat gebogen, gracelijk, maar niet slaafs, uit eerbied voor den toewan blanda, die voorbijgaat. Dit is geen serviel gebuig van den loonknecht voor rijken heer, dit is een voorn aam-bevallig gebaar van oerouden, heiligen hormat. Het wrakke sadótje, waar we in zitten, kraakt en waggelt op de veeren, en telkens bonzen we onzacht tegen elkaar aan, maar 't kleine paardje draaft lustig voort, en vroolijk sjokken wij daar in dien koelen, indischen morgen, blij met al die kleuren, die ons voorbijgaan, en die we in de verte zien naderen, telkens weer een andere schoonheids-pracht, die naar ons toekomt in de natuur. Achter de golvende sawahs staat de Gedeh hoog en ontzaglijk over het landschap heen en laat de witte wolkenstoeten gelaten onder zich voorbijdrijven. Zacht neu-

i) Goeden dag.

Sluiten