Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riënd zit de bruine sadó-koetsier voor ons, en weet het zelf niet wat hij zingt....

Zóó hotsen wij een uur lang den breeden postweg naar Tjandjoer door, tot we bij een kampong komen, waar de dessa Ngadiredjo ligt. Hier staan een paar bamboe-warongs, waar een oude, rimpelige «nènèh» koffie schenkt en «ajer-djeroek», en waar op een schamel bankje wat inlanders gehurkt zitten, genoegelijk en gezellig, in de knusse buitenintimiteit van het Oosten.

Wij stappen uit het wagentje, en spreken 't gezelschap aan, om naar den weg te vragen. Wij zoeken Oessin, den ouden marskramer, die wandelstokken vent, en wajang-poppen en krissen. — Een naakt, glimmend godenkindje, prachtig slank van leden, springt van de bank, zijn bronzen snoetje lachend onder den vuurrooden hoofddoek. — Hij is slank als een jonge palm, zijn lokken zijn zwart als de nacht, en zijn sprong is als die van een zachten panter. — Wah! Oessin! die woont in de kampong, ginds, tusschen de palmen, hij zal ons wel wijzen, als wij maar mee willen gaan. En wij loopen links, ter zijde

Sluiten