is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik durf het niet met mij nemen; het behoort aan het lichaam, aan de aarde, — laat het daar blijven. Laat het daar geoordeeld worden. In vvien kan mijn daad een strenger rechter vinden dan in Uwe Majesteit — neen — dan in jou — jou, den edelen, den verheven denkenden vriend van mijn blijde jeugd? — Ik kan niet langer het koude, conventioneele „Majesteit" gebruiken. In deze mijn laatste ure moet ik aan je mogen schrijven, als aan een vriend.

Drievoudig ben je mijn rechter.

Ten eerste als mijn koning — en de strengheid van

dat vonnis ken ik.

Ik denk terug aan onze avonduren in het park van de academie, in den tijtl van de lichte nachten; en ik herdenk de uren van de wacht op het cadettenschip. Ik herinner me onze ergernis over den zwendel in de regeeringskringen van Xland; ik herinner me alles, alsof het gisteren gebeurd was. Omkoopen leek mij de laagste van alle misdaden; ik was er zelfs niet zeker van, dat het niet een groote zonde was tegen den Heiligen Geest, waar de Schrift van spreekt.

Je sprak van een koning, die zijn macht verkoopt — geen straf was streng genoeg; juist omdat hij juridisch geen verantwoording schuldig is. Geen door menschen gemaakte wet kon hem treffen; maar de Nemesis weet haar tijd en plaats te kiezen. Éénmaal zal de straf hem treffen in zijn eigen geweten, de vreeselijkste straf, die een mensch opgelegd kan worden, de wroeging.