Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was weer stil in het vertrek, een zware stilte vol onaangenaam gedenk. Beiden dachten ze aan hetzelfde: aan Joost van der Laar, en aan wat ze met hem al hadden door-gemaakt.

„Ik wou, dat we die_yent nooit gekend hadden." Onophoudelijk klonk het na in Leen's kop, tot het hem te vermoeien begon. Maar het was of hij niets anders bedenken kon , of zijn bezinning maar al draaide rond die prettige, helaas on-mogelijke voorstelling, zonder zich erin te kunnen verliezen ... hij kon het zich maar niet voor den geest halen, hoe het zou zijn , wanneer zij Joost niet gekend hadden ... Alles, alles zou zoo geheel anders gegaan zijn... al zoolang was hij nu in hun leven, en langzamerhand was hij zoo nauw in al de huiselijke toestanden betrokken ...

Vooral na dien ongeluksdag in de kermis-week — toen ze hem 's avonds ontmoet hadden in den tuin van „de Doele" — nam in zijn herinnering het noodlot, zooals hij onbewust Joost's vriendschap noemde, vorm aan; van toèn-af zag hij Joost onafgebroken in zijn leven. En nü — nu hij alles wist — zag hij hem ook toen al in dat fataal-misdadige licht, waardoor hij hem zooveel vergeven kon.

.... Joost was langs hen gewandeld — alleen — dien avond in „de Doele", en plotseling was hij op hen afgekomen en had gevraagd, of hij bij hen aan het tafeltje mocht komen zitten. Zij kenden hem toen nauwelijks, hadden hem slechts een paar keeren

Sluiten