Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vooral Henny niet" — zei Joost. „Die kent me nog wel zoo drommels goed! Daarop zou ik wel een pari met je durven angaan"

„Ik zou nou maar niet parieeren, Joost" — vermaande Nelly met nadruk.

Er was plotseling even een stilte.

»Nee . . . daar ben ik wel zoo zeker van" — zei Joost na-mijmerend, als had hij haar niet gehoord. „Een aardig jong . . .: Henny. Hij hièld van me, en ik van hem. Trouwens . . . zooals van al je kinderen: Hetty, zus ... en die kleine; maar die telt eigenlijk nog niet mee. . . maar van de anderen, dat weet je wel" — vervolgde hij omslachtig.

Er was even een stilte. Nelly sloeg geeuwend de krant open, en trok zich terug in een stug zwijgen, waarmee ze zich ongenaaktbaar te omspinnen scheen. Het gesprek verliep nu in een kalm, zakelijk redeneeren tusschen de beide anderen.

Leen had om bier gebeld. Joost begon zich al meer en meer op zijn gemak te voelen en vertoonde een wereldsche losheid van manieren ; een groot contrast met Leen, die plomp op een gewonen stoel zat, de armen vèr op tafel, de handen saamgevouwen. Ook in hun praten was het verschil opvallend : Joost sprak rad, luchtig, gemaakt-zuiver, redeneerde lang aan éen stuk, telkens afdwalend van het onderwerp, waarop Leen hem dan weer moest terug voeren, recht op zijn doel afgaande met grof, zwaar mannelijk-

Sluiten