is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schouwde Joost als een zieke, een abnormaal mensch, een kind. dat geleid moest worden .... En hij zou Joost leiden .... Hij hoopte nu maar, en hij geloofde het ook dat Joost in die vier maanden veel veranderd zou zijn, dat hij geleerd zou hebben ....

Ja, hèlpen zou-die, al zou Nelly en de heele wereld er zich ook tegen verzetten .... Hij beschouwde het als zijn plicht.

Hij stond op met een zwaar, gloeiend hoofd nog, draaide het licht uit, en heesch zich loom de trap op. Nog steeds hoorde hij het geschetter van Joost's stem; het maakte hem dood-moe. Hij trachtte 't te vergeten maar het ging niet, het werd hem bijna tot een obsessie .... En hij bedacht, dat het eigenlijk maar gelukkig was, dat Nelly stil naar bed was gegaan, dat ze Joost niet bezig gehoord had, want hij had zich weer gedragen, als een krankzinnige, die er maar op los bazelde, als dronken van zijn eigen woorden .... Och .... hij kon dat wel verdragen, maar zij niet; en dat zou natuurlijk weer onaangenaamheden gegeven hebben .... Als zij nu maar wou inzien - peinsde hij nog — dat Joost een kind was, eigenlijk een ontoerekenbaar kind, een ongelukkig slachtoffer van heriditeits-wetten ....

* 1

Het waren deze woorden — telkens en telkens herhaald — die hem deden volharden Joost te helpen.

Nelly sliep nog niet. Nauwelijks was hij de kamer in, of zij barstte ruziënd los: