Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo móet je Joost ook aanpakken" — zei ze fiks. „Anders helpt het je niks: dan voelt-ie het niet... Jij moest 'm ook veel strenger behandelen; ik dacht het van avond nog. Je bent veel te goed voor 'm."

Hij antwoordde niet, voelde zich thans allerminst geschikt om zijn standpunt tegenover haar te verdedigen.

„Wat had Henny, dat hij zoo schreeuwde daarstraks?" — vroeg hij na een poos, zorgelijk.

„Ach . . . Niks!" — zei ze korzelig en wendde zich van hem af.

Zij voelde wel, dat ze hem nog niet overtuigd had. 't Maakte haar nijdig, wanhopend. Leen was tè goed — meende ze ziende-blind. Hijzelf, zij, en de kinderen werden er nog de dupe van ... O-jezus, waarom schoot die Joost, die toch niks kon, en waaraan niemand gehecht was, zich maar niet voor den kop . . .: dan waren ze van 'm af. . .

II.

Langzaam was Joost naar huis geloopen, even statig en behaagziek als altijd. Toch voelde hij zich niet op zijn gemak: de stilte van de nachtelijke dorpsstraat hinderde hem: je haalde maar muizenissen in je kop, die je beroerd maakte voor niks, en je schoot er toch niet mee op. In stilte was iets beangstigends — vond hij dan gebeurde er zulke vreemde dingen in je, was het

Sluiten