Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde kamer van vijf bij zes, waar je ten minste wat op en neer kunt loopen, en waar het buffet niet altijd op je leek te vallen, zooals hier. En dan kwam z'n bureau weer tusschen het raam en de schoorsteenmantel te staan, zoodat hij, er voor zittend, weer het gezicht op den weg in de verte had. En dan zou hij weer zijn dog-cart en eigen paard hebben, waarmee hij een eind de polder in kon rijden, als hij daar lust in had ....

Als dat gelukje eens kwam! . . . . En dat kwam! van daag of morgen, daar was hij zeker van. Maar hij zou het toch anders inpikken nu: hij zou het kalmer aanleggen, zorgen dat hij niet inteerde. Want — al wist niemand het — hij had wat in de verkniepering gezeten! Elk oogenblik, om zoo te'zeggen, het besef, dat je inteerde; altijd dat einde vóór je, snel naderend met dien verschrikkelijken vraag, dien hij zich in dien tijd zeker wel duizendmaal gesteld had: „Wat dan?".... Het was hem geweest toen als stond hij op een eiland en vrat de zee elke minuut een stuk weg van den grond om hem heen ... Verder dan dat einde had hij nooit kunnen denken: wat daarachter lag, wist hij niet.

Maar — en dat was hem tenminste éen voldoening geweest — ze hadden nooit kunnen merken, wat er in hem omging: niemand had het geweten. Trouw wa9 hij op de Soos blijven komen .... En dat waren toch wel roemrijke dagen geweest, toen hij in al zijn

Sluiten