Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En hij was blijven liggen . . . twee, drie dagen nog. .. Maar den derden dag was Leen woedend bij hem gekomen, en had hem voor het feit gesteld: opstaan..., of het was voor goed uit tusschen hen.

Toen had hij gevoeld, hoe die vier maanden hem veranderd hadden ... Hij was verweekt in dien tijd. Hij was laf geworden: de bitterste zelfverachting kon hem er niet toebrengen zijn vroeger principe: liever dood, dan langzaam weg te teeren in oneervol werk,

na te leven Nog nooit ook had hij den dood zoo

dichtbij gevoeld, als nu door Leen's dreiging; nog nooit was hij er zoo hevig voor geschrokken.

En hij was opgestaan, weerzinnig, schoorvoetend, als 'n bange schooljongen Wat had hij zich vervloekt dien dag.

En op straat... als een dièf had hij geloopen tusschen de menschen. Iedereen moest het hem aanzien immers, wat er was voorgevallen, wat een ellendeling hij was. En bij eiken bekende dien hij tegenkwam, en die hem vroeg: „Zoo, Joost, weer beter?" meende hij spot te bespeuren. In den polder, in de ruimte — alléén met de weiden en slooten, zijn stille, vertrouwde vrienden — was hij eerst weer wat tot zich zelf gekomen.

Langzamerhand echter was die schaamte voor de menschen gelukkig overgegaan

Hij liet nu zijn eten niet meer bij Nelly halen. Leen gaf hem geld, wekelijks, en nu kookte zijn huishoud-

4

Sluiten