Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er was gebeld aan de voordeur. Ze had het niet gehoord, verloren in haar gemijmer.

En plotseling stond Joost voor haar: zijn gezicht weer tot den laffen onzekeren glimlach vertrokken.

Zij schrok; onwillekeurig ver-strakten zich haar trekken.

„Dag Nelly! ... Je zult wel denken: is hij daar nou al weer"-verontschuldigde hij zich, druk-pratend onder het nadei komen. „Maai" ik kom alleen maar even hooren, of de kinderen soms mee gaan wandelen van middag."

Zij zat nog verslagen, gaf geen antwoord, raakte alleen even in gedachten de hand aan, die hij haar toestak.

„Zoo vent, ben je daar? Ken je me nog?" — ging hij, nederknielend, op teederen toon haastig voort tot Henny.

Maar het kind drong angstig van hem weg, kiemde zich tegen zijne moeder.

„Wat is dat nou ?" — zei Joost vriendelijk, maar toch licht teleurgesteld. „Ken je „opa" niet meer ? ... Maar het „loozie" toch zeker nog wel, hè?" - naderde hij nog dichter, zijn gouden horloge uit den zak halend.

Doch Hennie schokte al heviger terug en tranen dreigden in het beangst-omgewende gezichtje.

„Nee Joost.... Laat 'm maar Hij is niet in

orde" — weerde Nelly af.

~ ze' Joost. En bezorgd informeerde hij: „wat er nou weer aan scheelde." Maar het gesprek

Sluiten