Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarbij haar heftig-jammerende aantijgingen toch te onteerender uitkwamen.

Al haar felheid was nu opeens verdwenen, gedoofd door de overtuigende kalmte var. zijn woorden. Ze zweeg, niet wetend wat ter verklaring van haar gedrag te zeggen, geheel van haar stuk gebracht. En voor haar geest doemde Joost op, Joost in een ander licht, als beschenen door Leen's goedigheid : rampzalig en meelijdenswaardig.

Maar in haar ooren klonken nog zijn laatste woorden na. „Hij doet nou z'n best.... Ga jij nou niet alles bederven".... En zonder het zoo te meenen, in een onbewuste behoefte zich te verdedigen, smaalde ze: „ ... Doet z'n best! ... Biertjes drinken in jouw huis; af-geven op anderen, die vrij-wat beter zijn dan hij."

„Dacht je dan, waarachtig, dat Joost maar dadelijk zou werken als de eerste de beste handelsreiziger? ... Dat valt me tegen van je; ik had gedacht, dat je fijngevoeliger was" — zei Leen misprijzend.

Hij sloeg den verkeerden toon aan .... Fijngevoelig?!.. Zij was fijngevoeliger, dan Leen en Joost bij mekaar! Wat verbeeldde hij zich wel?...

Zijn onbillijk verwijt zette haar nijd op. Er was een nieuwe strijd in haar begonnen: vreemd... maar met het omslaan van Leen's stem was ook Joost's beeld van ongelukkige plots veranderd. Hij stond haar weer voor den geest als de — zij het ook onwilkeu-

Sluiten