Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kalm zich-samen-verheugen. Alleen Nelly en Leen kwamen elkaar niet nader: beiden ondergingen ze de vreugde stil in zichzelf. Maar beiden ook voelden ze het onvolkomene van hun geluk, bijna benauwend nu: begrensd door de muren van stugheid, waarmee zij zich jegens elkaar omgaven. En zooals een wolk het zonlicht, zoo versomberde deze twist — ofschoon in een lager plan van hun leven — de hoog-dankbare blijdschap. En beiden — hoewel Leen slechts vaag bewust — rekenden ze Joost de schuld ook van dit verdriet toe.

Het was tien uur. De kinderen speelden rustig in een hoek der kamer, opgewekter dan in langen tijd. Nelly waschte af, zwijgend, terwijl Leen bij het raam de krant zat te lezen.

Aangenaam had hij de ver-rustiging, die over het gezin gekomen was, ook in zich voelen vloeien: het was als een verfrissching, een afspoeling van verstikkend-aanklevende angst-gedachten. Maar toch overal en voortdurend was hij zich Nelly's wrok bewust, dien hij nu vol-dragen vermoedde, die bij den geringsten aanstoot uit-barsten zou.... een uitbarsting — dat wist hij — die verzoening zou brengen, verzachting, als milde regen op killen zomerdag. Maar juist nü wilde hij die uitbarsting niet, zich zwak voelend in zijn verhouding tot Joost, in wien hij onwillekeurig telkens de oorzaak van dit nieuw, huiselijk ongenoegen zag. ... En om alle aanleiding te voor-

6*

Sluiten