is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lustig ging hij voort: „Ik had zoo'n idee, dat je komen zoudt vandaag. Ik zat eigenlijk op je te wachten, anders was ik allang een eind de polder ingeloopen met het lekkere weer"....

Op zijn kamer boven aan de achterzij van het huis, sloeg Leen de muffe kilte van een in-lang-nietgeluchte ruimte tegen. Voor het eenige raam hingen strakgespannen vitrage gordijnen, wat een onaangenaam parelgrijs licht in de kamer gaf. Leen keek rond... ondanks de drukkende meubel-volte was hier iets van het koude en ongezellige van een cel — vond hij. Al dikwijls was hij in deze kamer geweest, en er was niets veranderd, maar — kwam het door het groote contrast met buiten? — nooit was hem het naargeestige ervan zóo sterk opgevallen als nu. In zijn verbeelding zag hij Joost — zooals het vroeger meermalen gebeurd moest zijn — uren achtereen daar zitten voor zijn bureau, piekerend hoe hij zich uit zijn geldnood redden zou, alleen, altoos alleen in die grauwte en stilte. En met zijn medelijden zwol aan genaam in hem het bewustzijn, dat hij toch een goed werk gedaan had, Joost zoo tot bezigheid te dwingen.

Joost was gekleed in een ruime, vleeschkleurige jachtjas, met platte, overlangsche plooien over rug en borst, en met groote hertshoornen knoopen; de ceintuur-einden bengelden los achter hem.... Een overblijfsel uit vroegere weelde-dagen.