is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kerel, waarom zet je dat raam toch niet open?" — zei Leen verwonderd.

„Nee, nee ... dank-je" — zei Joost met een arglistig lachje, als bemerkte hij, dat de ander hem voor den gek wilde houden. „Dan zit ik den heelen dag te kijk .... En d'r wordt toch al genoeg over me gekletst, achter m'n rug, heb ik pas gemerkt.... Niet, dat me dat wat kan schelen"... — veranderde hij plotselingvan toon, ernstiger — „maar hiér wil ik rustig zitten."

En toen Leen zweeg, vervolgde hij breedsprakig: „Niet, dat ik iets doe, wat niet gezien mag worden. Ze mogen alles zien!... Maar ik wil rustig zitten" — eindigde hij nadrukkelijk en als-toornig.

„Hoe is het met Henny?" — hernam hij haastig, plotseling bezorgd.

„Goed gelukkig" — zei Leen met een dankbare zucht. „Vandaag weer veel beter."

„Gelukkig" — beaamde Joost oprecht. „Je weet: ik ben een paar malen aan je huis geweest, om te informeeren maar Nelly kon me geen van de keeren ontvangen."

„Zoo?"... antwoordde Leen in nadenken. „Och je begrijpt" — vergoelijkte hij na een korte, pijnlijke stilte — „nou met die ziekte...: ze heeft d'r handen vol."

„Ja, natuurlijk" - gaf Joost toe. „Maar wist je het niet?" — vroeg hij verbaasd.