is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich met een hartstochtelijken zucht ontvallen: „Als ik maar eens een buitenkansje had, zie-je, dat ik ...

In Leen sloeg op eens een felle toorn uit: al zijn praten had dan nüg niets geholpen! In Joost 's brein tierden de verkeerde gedachten nog welig !... Maar hij wilde dat „onkruid" weg hebben, dat moést — besefte hij — om een zuiveren toestand te krijgen. En fel-nijdig barstte hij los, donderend met z'n zware woorden:

„Nee Joost! Nee!... Goddome kérel... nee!... W acht nou in Godsnaam niet op buitenkansjes, want dan kom je d'r niet!... Dan honger je dood op het laatst, geloof me!... Werken! werken!... Je hebt nou lang genoeg geluierd, en anderen voor je laten zorgen. Pak nou eindelijk zélf ook eens an."

Zijn geknepen stem schreewde bijna. Soms was 't als wilde hij met de woorden z'n principes er bij Joost in stampen: zoo zwaar-nadrukkelijk klonken zijn woorden, zoo schokkend ook bewogen zich zijn plompgesticuleerende armen op en neer... Dan weer scheen het als vertwijfelde hij, sloeg zijn stem in fel-verwijtend klagen over. Een wijle bleven ze beiden zwijgen.

„De volgende maand geef ik je ook geen cent meer" — zei Leen plotseling streng, kort, als kwam hij op eens tot dit besluit.

Joost bleef zwijgen.

„En dat wil ik je nog wél zeggen" — hield Leen