Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En in haar tobbend brein doemden de gevaren al talrijker boven haar gezin op; zoodat het wel onmogelijk scheen, dat zij ze allen ontloopen zou

Er was maar éen troost: van 'tjaar zouden ze, al had Henny hen niet thuisgehouden, toch niet uit de stad zijn gegaan — had Leen gezegd. Het convenieerde hem niet.

De ruzie was ten laatste bijgelegd: ze hadden beiden het kinderachtige, het misdadige bijna, ervan ingezien: de ellende nog te verergeren door dit onnut boudeeren. Zij hadden eikaars kracht van overtuiging leeren kennen, en beiden hadden zij de behoefte aan elkaar gevoeld. En zij waren stildankbaar geweest beiden, toen — na een hevige crisis van Henny — de een ongemerkt weer tegen den ander was gaan praten, beraadslagend en hoopvol na-betrachtend zooals vroeger. En hoe dichter de dreigende omstandigheden rond hen samen drongen, hoe nader zij elkaar weer kwamen in een wederzijdsche behoefte aan steun gevende vertrouwelijkheid.

Over Joost werd weinig meer gesproken. Leen bleef bij zijn opinies, maar Nelly had ten slotte toch haar zin gekregen: Joost kwam maar zelden meer bij hen. En nu zij zich niet meer telkens aan zijn gedrag ergerde, werd haar oordeel over hem onwilkeurig weer zachter. Ze vroeg zich dikwijls af in deze dagen van veel stil-peinzend alleen-zitten, of ze hem wel ooit gehaat had, of ze hem bepaald slécht vond Nooit

Sluiten