is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het nieuwe leven, het winter-leven — inniger-tesamen achter de beschuttend-gesloten ramen en deuren, in de rustige, vertrouwde huiskamer, klein te midden van het ruwe weer-rumoer — was begonnen.

Het was half zes, de familie zat aan tafel. Bijna was het te donker geweest om nog met dag-licht te eten, al waren de overgordijnen ook wijd opengetrokken, zoodat het grauwe licht, als neerhangend van het plafond, hoog binnenviel.

De stemmen waren een moment beangst stil geweest: een krachtige windstoot deed de ramen heviger rammelen, zelfs het geting-klink en ge rek-klek van vorken en messen op de borden — scherpe geluidjes vol kleine, ingetogen bedrijvigheid — klonk even minder.

Nelly verstoorde de stilte:

„Hoe was het op kantoor, Leen?" — vroeg ze deelnemend met haar teere lijdzame stem.

„Slapjes, slapjes ... — zuchtte hij mismoedig. „Een paar kleine orders .... Maar anders stil, niks te doen. Het is of ze me nu langzamerhand allemaal in de steek laten ... En de wijn is toch goed: dat erkent iedereen."

Er was weer een zwijgen.

„Ik denk er zelfs over" — hernam Leen, zacht, als dacht hij luid-op na — „nog een knecht minder te gaan houden."

„Nog een knecht minder?" — vroeg Nelly verwonderd.