Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze bijna-kinderlijk-opgetogen — „hij op z'n knieën bij

den stoel, en Henny, die maar commandeerde

Nou, ik vond het best, want ik had boven nog het een en ander te doen."

„Jij bent wel veranderd, Nelly, ten opzichte van Joost" — zei Leen somber.

„Veranderd?" — klonk haar stem verwonderd. „Nee.., Maar ik schik me in het onvermijdelijke. En... als hij maar niet te druk komt...!"

„Zoo..." — zei Leen stroef, in gedachten.

„Wat kijk je donker, man?" — vroeg ze bezorgd. „Yin je het niet goed?... Hij was nu toch in een heelen tijd niet geweest."

Leen had zich tot nu kunnen beheerschen; alleen zijn strak-vertrokken gezicht getuigde van innerlijke woede. Maar op eens kon hij zich niet langer bedwingen; de felle gedachten wroetten martelend door zijn kop; hij moest, hij moest het zeggen: dan zou het in zijn hoofd misschien wat kalmer worden:

„Ik . . . .? Ik vind het best" — donderde hij stotterend uit. „Maar.... maar voert die kerel dan heelemaal geen bliksem meer uit!.... Denkt-ie dan,

dat ik gèk ben! dat-ie me maar voorliegen kan T

wat ie wil!... Maar als-tie dat denkt..., als tie dat

denkt Nou is het ook voor goed uit Ik

verdom het langer.... Van avond zal ik nog eens — en dan voor 't laatst — naar dien mooien sinjeur toegaan."

Sluiten