Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij nu niet bij 'm kon zijn, om hem op te stoken, hem te herinneren, wat hij gezegd had van-middag nog. En zoo verloor zij zich in haar verbeelding: dat ze in zichzelf de woorden fluisterde, die zij hem zeggen zou: „'tis een fielt! hij beliegt je, heeft je altijd voorgelogen!"...

Ze wond zich hoe langer hoe meer op. Ze trachtte '.vat te werken, zich dwingend tot afleiding. Maar ze kon niet. Ze kon alleen wachten, luisteren, scherp

luisteren Dat luisteren matte haar erg af, haar

adem ging sneller. Ze voelde, dat ze dezen toestand niet lang zou kunnen volhouden: de zintuigen vergden te veel van haar krachten.

Soms kon ze zich even tot kalm bezinnen dwingen,

vond ze zich zelf onverstandig, een dwaas kind

Waarom wond ze zich toch eigenlijk zoo op?... Dat begreep ze zelf niet.... Het was een verlangen, dat voortkwam uit het onbewuste, waar de wil niet meer heerschte

Ze trachtte dan door redeneering die kalmte te behouden .... Wat had ze toch?... Besliste nieuwsgierigheid was het niet; eer een onverklaarbare angst voor iets ongelukzaligs, dat elke minuut heviger, nader

dre:gde Maar angst?... Waarvoor?... Voor

wie?... Voor Joost?... Voor Joost.... Ze geloofde het. Maar als ze er sterker over nadacht, werd ze boos op zich zelf, zei het zich met klem — maar toch zonder overtuiging — dat ze er immers

Sluiten