Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel ze hem nooit ontving, was hij trouw naar Henny blijven vragen tot den laatsten dag... toen was hij plotseling weggebleven. Leen sprak ook zelden meer over hem: alleen had ze gehoord, dat ook die nieuwe betrekking niet gegaan was, en dat Leen ongenoegen had gekregen met dengeen, voor wien Joost dat administratief werk moest doen. En op een dag had Leen haar verteld, dat hij Joost een brief geschreven had, waarmee hij alle vriendschap voor goed afbrak ....

Werkelijk hadden ze toen een heelen tijd niets van Joost gemerkt.... Leen vertelde nog wel eens: waarvan hij leefde wist niemand, hij was het raadsel van de stad, waar iedereen wist dat hij het ouwe leventje opnieuw begonnen was, alleen liederlijker nog door armoe ....

Tot — nu kort geleden — op een morgen Leen een briefje van 'm ontvangen had: „In geen twee dagen heb ik gegeten. Bedelen kan ik niet. Als ik morgen geen geld heb, dreggen ze naar me in de Maas."

Leen was zoo gek geweest nog geld te sturen. Dat had zich toen natuurlijk nog een paar malen herhaald... tot Leen er ten laatste ook het nuttelooze van inzag, en de briefjes onbeantwoord liet...

Zij luisterde ... De voor-deur sloeg dicht. Daar was Leen. „Nou al" — zuchtte ze mismoedig — „het is nog vóór negene ..."

Sluiten