is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruimte! het leek hem een naargeestig moordhol.... Hij was bang van de stilte...: van alle kanten kwamen dreigende spoken op je aansluipen, en ze waren alléén met je, konden met je doen, wat ze wilden... O, die angsten! ze zouden 'm gek kunnen maken.... Als hij dan buiten kwam: onder de menschen, lachte hij er weer om ... Maar hij dorst toch niet terug te keeren, en bleef opzettelijk laat uit, om dadelijk te kunnen slapen, als hij eindelijk moe in bed lag...

Zonder eenigen haast knie-knikten zijn stijve beenen in den wandel pas, even statig als altijd. De krachtige schrale vlagen gierden onophoudelijk langs hem, sloegen hem ijzig in het gezicht, drongen snijdend door in zijn neus, zijn keel, joegen telkens onbehaaglijke rillingen over zijn geheele lichaam.

Hij maakte zich driftig, voortdurend zoo moeizaam voorover te moeten loopen. Hij foeterde en schold in zich-zelf op de onbarmhartige vlagen: „die vervloekte, onvermoeibare plaaggeesten!" Toen trachtte hij trotsph rechtop te gaan. Maar een hevige schrik sloeg g]opprikkend op naar zijn hoofd, toen zijn hoed bijkans~ afwoei, zoodat hij 'm nauwelijks met een overhaasten zwaai van bei zijn armen nog grijpen kon; bovendien: nu scheen de scherpe wind zijn onbeschutte keel wel van éen te scheuren, de adem ontging hem ... En als onderwierp hij zich aan het wind-geweld - boog hij zich weer voorover, den smallen rug samenkrimpend gekromd.

Gedurig moest hij hoesten: een zware blaf-kuch,