Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verige glaasjes had ie gedronken .. ., hij, Joost van der Laar .... Tjazzus, tjazzus .. .!

En toch ... als hij maar geld had! ... Daar verderop den dijk had je nogal een aardig kroegje .... Maar hij bezat geen sou op het oogenblik .... Hè, nou bij een kachel ergens, het kon 'm niet schelen waar.... Hij zou bijna in staat zijn te gaan bedelen .... „Meneer, meneer . . . 'n centje asjeblièf... Ik ben een arme stakker . . . meneer! . . ." — probeerde hij met deemoedige stem in zich-zelf, of het gaan zou.

Maar nee! nee! Dat verdomde hij toch.... O God, het zou je er anders wel toe brengen, die kou overal in je botten, je ziek lichaam, en die honger, en die zware pijn in zijn kop van de verkoudheid, of van het eeuwige pikeren ... hij wist zelf niet...

En nu de wanhoop: tot het uiterste gegaan te zijn en geen uitweg meer te zien! Er stond iets verschrikkelijks aan hem te gebeuren. Midden in Londen krepeerden de menschen wel van honger. Waarom hij hiér niet? . . . Het was of hij aldoor terug-gedeinsd was, wijkend voor de vergelding-eischende natuurwetten, al-maar achteruit, telkens verder kruipend, in al gemeener stegen, holen, waar hij zich met al lager genot bedwelmde. Lang had hij zich zoo door een bijna-aanhoudende roes onbereikbaar kunnen houden voor de steeds naderdringende ellende. En nu, nu hij niet verder kon: scheen het hem als moest hij een strijd-van-man-tegen-man

Sluiten