is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plomp gesticuleerend bij het ernstig mompelen onder elkaar, Joost voorbij ... telkens nieuwe rijen: een lange stoet, somber en eentonig, gedwee en toch machtig: als hun arbeid.

... Bij de spoorbaan moest Joost wachten: de hekken waren gesloten. Er kwamen geen arbeiders meer: hij stond alleen in de wijd-omringende barre vlagen, die — woest aan-hordend over de lage polder-vlakte tusschen den spoordijk en de boomen-reeks van den landweg heel in de verte — hem, tenger heeren-figuurtje, wel door elkaar schenen te rammeien: zoo fladderden zijn broek en zijn jaspanden. Angstvallig hield hij zich saamgekrompen. Hij stond met den rug naar den wind gekeerd, een weinig achterovergeheld, de éene hand lichtkens drukkend op zijn hoed om het afwaaien te voorkomen. Soms dribbelde hij een paar stappen vooruit: het evenwicht verliezend dooreen krachtiger windstoot.

Het wachten duurde lang, en door het stil-staan voelde hij zijn ellende met nog meer bewustheid. Zijn borst voelde pijnlijk, als kankerde daar diep een kwaal voortdurend verder. Moeizaam slechts kon hij adem halen: het was als lagen zijn longen krachtloos op elkaar geplakt niet in staat meer lucht in te zuigen. In zijn hoofd was een doffe zware massa: zijn hersens leken wel dikke slijm geworden, pijnlijk-zwaar neerhangend van zijn schedel

Nijdig tuurde hij de beide kanten van de spoorbaan