is toegevoegd aan uw favorieten.

Samenleving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de hooge spoorbaan kwam: een heel eind voorbij het over pad, waar hij had moeten wachten.

Weer stond hij stil: hij kon niet verder. Maar de vlagen sneden onophoudelijk langs hem, als-in-woede suis-gierend door de zwiepende telegraaf-draden boven hem, onbesuisd voortb<ildeiend over den spoordijk heen. Hij was geheel bezweet en dood-moe. Terugkon, wilde hij niet: weer tegen den wind. En hier blijven ging evenmin: dat was je-de-tering-op-je-hals-halen, zoo zeker als twee-maal twee vier .... Even stond hij wanhopend, turend om zich heen, als zocht hij Toen schoot het hem plotseling te binnen, dat hij aan den anderen kant van den dijk buiten den wind zou zijn. Daar kon hij dan wat uitrusten, om straks op zijn gemak verder naar huis te loopen.

Moeizaam scharrelde hij de grashelling op, sloop snel schuw over de rails, en liet zich onder aan den anderen kint uitgeput in het gras vallen. Inderdaad lag hij daar beschut voor den wind: hij hoorde de vlagen vervaarlijk gieren en suizen, maar zij konden nu met haar ijzigen adem zijn warm bevattelijk lichaam niet bereiken.

Even voelde hij zich zeer behaaglijk daar in zijn betrekkelijke veiligheid. Met gesloten oogen luisterde hij aandachtig naar de telkens-wéer-keerende hol-hooge storm-geluiden, als vol hartstochtelijken weemoed. Het was hem, alsof hij nu niet meer alleen leed; en die ingebeelde gemeenzaamheid met het weer troostte